De eerste trein in Best

Een wet van 18 augustus 1860 stelde vijf modellen vast van stations. In Best werd een station toegewezen van de SS 5e klasse, gelegen tussen de Zonse Steeg (huidige Koningin Emmalaan en Leeuwerikstraat) en de provinciale kiezelweg van Oirschot naar Best (huidige Oirschotseweg en Hoofdstraat). Zo’n 5e klasse station was ontworpen door de architect K.H. van Brederode en bestond uit  een hoog middendeel met puntgevel, met aan weerszijden een korte even hoge vleugel die aan de straatzijde iets, en aan de perronzijde sterk terug springt. De verdieping had onder andere twee gekoppelde rondboogvensters. Het station was al medio 1865 klaar. De kosten bedroeg destijds circa fl 8.700,–.

Op 1 juli 1866 was het dan eindelijk zover dat de eerste trein kon rijden op het traject tussen Boxtel en Eindhoven. De gemeente had fl 25,– beschikbaar gesteld voor de opening. De feestelijkheden werden echter afgelast in verband met zowel een cholera-epidemie als een veepest. Ondanks dat stonden er toch veel mensen langs de lijn om het nieuwe stalen monster te zien. Men was destijds nog geen machines gewend. Het enige mechaniek dat op het platte land bekend was , was een torenuurwerk. Vanaf die dag vertrokken er dagelijks 4 treinen richting Eindhoven en 4 treinen richting Boxtel.

De stationschef

De taakomschrijving van de stationschef was duidelijk omschreven. Hij was verantwoordelijk voor de goede gang van zaken op en rondom het station, dus ook voor het personeel en het onderhoud van het stationsgebouw. Hij was ook verantwoordelijk voor de veiligheid. Er mocht geen trein vertrekken voordat door de stationschef was vastgesteld dat de wissels goed stonden en het baanvak veilig en berijdbaar was. Hij diende persoonlijk aanwezig te zijn bij elke aankomst en vertrek.

Een half uur voor aankomst van een trein moest er gedurende een halve minuut een klok worden geluid. Vijf minuten voor vertrek van de trein werd door twee afzonderlijke klokslagen aangegeven dat de passagiers in de rijtuigen konden plaatsnemen. Drie klokslagen waren het teken voor de stationschef om de portieren van de rijtuigen te laten sluiten. Tussen de aankomst en het vertrek van een trein verliepen zo’n 15 tot 20 minuten.

De eerste stationschef van Best was Marinus Anthonie van Voorst Catshoek. Het station van Best (halte der 5e klasse) was niet erg in trek. In 7 jaar tijd waren er al 7 verschillende stationschef geweest, waarvan de meeste als een strafoverplaatsing naar het kleine Best. Op 1 februari 1873 werd Lambertus Johannes Dellevoets benoemd. Hij zou 22 jaar blijven. Hij werd tevens bestuurlid van harmonie “De Eendracht”. Bij zijn aanstelling ontving hij een jaarinkomen van 450 gulden.

Overwegen en wachtposten

Bij de aanleg van het spoor werden er in Best in eerste instantie 5 overwegen gepland. De belangrijkste kwam aan de doorgaande grintweg van St. Oedenrode naar Oirschot, waar nu de Hoofdstraat en Oirschotseweg is. Bij deze overweg stond een eenvoudig wachthuisje, bekend als wachtpost 43. Deze wachtpost was dag en nacht bemand. Het uiteindelijk aantal wachtposten kwam uit op 6. Bij de huidige Kruisbeemdenweg (wachtpost 41), de Nieuwe Dijk (huidige Mosselaarweg, bekend als wachtpost 42), de Nieuwe Steeg, de grindweg naar Oirschot (huidige Oirschotseweg en Hoofdstraat, bekend als wachtpost 43), de Sonschesteeg (huidige Koningin Emmalaan en Leeuwerikstraat, bekend als wachtpost 44), de Nieuwe Heide (waar nu het Wilhelminakanaal ligt, wachtpost 45) en de Bestsche Heide (Huidige Ploegstraat, wachtpost 46). Aanvankelijk waren alle spoorwegovergangen bewaakt omdat dit wettelijk was voorgeschreven. Bij vrijwel alle overwegen bouwde men een wachterswoning voor de spoorwegwachter. Door middel van een telegraaf werden berichten doorgegeven over aankomende treinen.

De spoorwegwachter

De spoorwegwachter bewaakte de overwegen. Als een trein naderde, sloot hij de overgang met een simpele houten paal dwars over de weg. In het centrum werd de overweg wat degelijker afgesloten. Bij vrijwel alle overwegen bouwde men een wachterswoning voor de spoorwegwachter. Vaak was zijn vrouw ook aangesteld als wachteres. Hun dienst bedroeg 24 uur per dag en 7 dagen in de week. In 1891 verdiende Antonius Maas als spoorwegwachter per dag één gulden en tien cent. In Best was er een spoorwegwachter die twee overwegen bediende (Nieuwe Dijk en Nieuwe Steeg), omdat die niet ver uit elkaar lagen.

Dat het werk niet ongevaarlijk was, bleek wel op 1 juli 1894 toen spoorwegwachter Maas van wachtpost 42 dodelijk verongelukte. De Meierijsche Courant berichtte het als volgt: Zijn vrouw was naar de kerk en hij was met zijn kind thuis om de dubbele wachtpost te bedienen. Te laat bemerkte hij dat het kind hem op de spoorbaan was gevolgd en in groot gevaar verkeerde. Dit ziende sprong hij naar zijn kind om het te redden en waarbij hij zelf slachtoffer werd.

In de crisisjaren in het begin van de vorige eeuw werden drastische bezuinigingen doorgevoerd. Hierbij werden 4 minder drukke overwegen vervangen door een aanduiding met een dubbel Andreaskruis en een verkeersbordje.

De meeste  wachterswoningen werden in 1965 gesloopt. Ook aan de Hoofdstraat was dit het geval omdat de overweg toen werd beveiligd met de automatische halve overwegbomen. In 1967 werd de laatste wachterswoning aan de Ploegstraat gesloopt.

(Bron: Boek Sporen door Best van de Stichting Geschiedenis van Best)