Best als zelfstandige gemeente

Wanneer Best bij Koninklijk Besluit van 17 augustus 1819 wordt afgescheiden van Oirschot, wordt het bestuur over de nieuwe gemeente nog enige tijd waargenomen door de burgemeester van Oirschot, Jean Theodore Steyvers. Deze situatie duurt voort tot 1 januari 1821, de datum waarop het "Reglement van bestuur voor het platteland in de provincie Noord Brabant" van kracht wordt en Best een eigen bestuursorgaan krijgt.

Dit reglement bepaalt dat het bestuur van de Brabantse gemeenten wordt opgedragen aan een schout en gemeenteraad, geassisteerd door een secretaris, onder toezicht van een districtsschout. De schout wordt door de koning benoemd en de leden van de raad door het college van Provinciale Staten. De schout is tevens lid van de gemeenteraad. Bij de uitvoering van een aantal taken, zoals schouwvoering, bekrachtigen van orders van betaling e.d., moet de schout bijgestaan worden door twee speciaal door het college van Gedeputeerde Staten gecommitteerde raadsleden. Het genoemde reglement voor het plattelandsbestuur wordt reeds in 1825 door een ander reglement vervangen, ten einde in de reglementen die per provincie worden vastgesteld en onderling sterk van elkaar verschillen, meer uniformiteit te krijgen.

De schout gaat nu weer burgemeester heten en de beide gecommitteerde raadsleden worden voortaan assessoren genoemd. Tevens wordt bepaald dat het aantal raadsleden voor gemeenten met meer dan 1500 inwoners uit negen personen moet bestaan, inclusief de burgemeester. De gemeente Best voldoet ruimschoots aan deze voorwaarde, daar de afgescheiden gemeente, bestaande uit de voormalige herdgangen Aarle, Naastenbest en Verrenbest, in 1825 ruim 1700 inwoners telt.

De burgemeester en andere raadsleden worden voor een termijn van zes jaar benoemd, waarbij iedere twee jaar een derde gedeelte af moet treden, volgens een van te voren vast te stellen rooster. De afgetreden leden kunnen zich direct herkiesbaar stellen voor een nieuwe periode van zes jaar. Tot schout van Best wordt door de koning per 2 januari 1821 Willem van Nuenen benoemd, een dan 53-jarige herbergier, oorspronkelijk afkomstig uit Blaarthem.

Hij is gehuwd met Francine (of Francisca) van der Grinten en behoort tot de bemiddelde klasse, daar hij volgens de eerste kadastrale gegevens omstreeks 1830 een drietal huizen en vele percelen grond in eigendom heeft.5 ) Bij de invoering van het nieuwe regelement per 1 januari 1826 wordt hij voor een periode van zes jaar herbenoemd, al heet hij dan geen schout meer maar burgemeester. Zijn tractement is in al zijn dienstjaren onveranderd f 150,— geweest.

Naast zijn normale salaris heeft hij nog vergoedingen gekregen voor het gebruik van zijn herberg als raadzaal en voor de daartoe benodigde energiekosten. Dit bedrag was in totaal afwisselend f 90,— of 100,—. Wanneer medio 1828 het nieuwe gemeentehuis in gebruik wordt genomen krijgt hij enkel voor het voorschieten van de kosten voor verwarming en verlichting van het gemeentehuis.

Wanneer zijn termijn van zes jaar voorbij is, wordt hij niet meer herbenoemd en komt voor hem in de plaats Adriaan van der Velden, tot dan toe gemeenteontvanger van Best.

door J. Suijkerbuijk